Het dilemma.

 

 

De hartlong- machine had nu al drie weken de functie van zijn kleine hartje overgenomen en het levensgevaar was nog steeds niet geweken. Daarvoor was een opening in zijn kleine keeltje gemaakt, waardoor de slang van de hart-longmachine naar binnen ging. Zijn kleine, gebroken beentjes hingen in een stellage omhoog en op de hieltjes was een wond ontstaan door de druk van het gipsverband. De vooruitzichten waren somber, om maar niet te zeggen dat er geen vooruitzichten meer waren. De geneesheren hadden de moed opgegeven op een zelfstandig kloppen van dat kleine hartje dat nu al drie weken vervangen werd door de hart-longmachine.
Dat kon zo niet blijven voortduren was de conclusie van de geneesheren en zij spraken al voorzichtig over het stopzetten van de apparatuur. ‘Klinisch dood’ noemden de heren geneesheren de situatie waarin het kind zich bevond.

Zij  stond voor een dilemma! Zou ze daarmee instemmen om een verder lijden van het kind te voorkomen? Of zou zij BLIJVEN geloven in een wonder!

Zij wist het niet! Straks zou ze een gesprek met de heren professoren hebben en een besluit moeten nemen.
”Oh, wat is dat moeilijk”, verzuchtte zij verdrietig.


Ze dacht terug aan de dag dat het ongeluk gebeurde.
Nu precies drie weken geleden.
Hij was even onder de waakzame ogen van zijn moeder ontsnapt en de deur uitgelopen. Op het drukke kruispunt even verderop was hij tussen twee geparkeerde auto’s overgestoken en de automobilist had hem niet gezien. Hij werd geschept en op de motorkap zes meter meegesleurd, waarna hij  door de schok op straat werd geslingerd.
Daar werd hartmassage toegepast door een ziekenhuisbroeder die het ongeluk zag gebeuren toen hij voor het raam naar het drukke verkeer stond te kijken.

Dàt was in eerste instantie zijn redding geweest maar in het plaatselijke ziekenhuis, traden er wéér ademhalingsproblemen op en werd er besloten hem direct naar het Rotterdamse ziekenhuis te verplaatsen en hem aan te sluiten aan een hart/longmachine, die de problemen rond de ademhaling moest opvangen. Met loeiende sirene en onder begeleiding van de politie die het verkeer moest regelen, werd de rit aangevangen, vanuit Dordrecht naar Rotterdam.

Ze kon niet bij haar kind zijn. Er moesten de nodige hulpverleners mee en de moeder werd een plaatsje toebedeeld in de volgauto van de politie.

Angst, angst en nog eens angst gierden door haar keel in die helse rit. Zij wist immers niet of haar kind het zal redden??

De artsen hadden de diagnose ‘Zwaar hersenletsel’ geconstateerd. Machteloos voelde zij zich.  Dit kón toch niet waar zijn? Hààr kind…die daar zo hulpeloos in de ambulance lag en samen met het verplegend personeel vócht voor zijn leventje.


 In het ziekenhuis werd hij direct naar de Intensive Care afdeling gebracht. Zij mocht niet mee en wachtte, wachtte en wachtte. Zó had zij de eerste twee dagen doorgebracht in de wachtkamer, wachtend op goed nieuws, dat maar niet kwam. Uiteindelijk werd zij door de zusters naar huis gestuurd. Ze had immers nóg een taak. Zij moest ook voor de andere kinderen uit het gezin zorgdragen. Hoewel deze niets te kort kwamen want hun oma zorgde voor hen. ‘Maar’, zo zeiden de zusters. ‘Een moeder hoort bij haar kinderen te zijn. U kunt hier niets doen. Zijn leventje is in Gods handen’

Sindsdien komt ze dagelijks naar het ziekenhuis en gaat zij ’s avonds met lood in de schoenen naar huis om de andere dag weer met angst in haar hart haar kind op te zoeken.
Hoe lang nog?

 

En nu, nu is zij op weg naar het ziekenhuis en staat zij voor die vreselijk moeilijke beslissing.
Een beslissing die zij ALLEEN zou moeten nemen want haar echtgenoot had haar een jaar geleden verlaten voor een jongere vrouw.
Op de Binnenweg Zuid in Rotterdam stapte ze uit de tram en liep snel in de richting van het Dijkzigt Ziekenhuis. Wàt zou ze aantreffen? Elke dag was dat de vraag die haar bezighield.
Zou hij er nog zijn? Zou hij nog leven?

 

Zijn leventje hing aan een zijden draadje en ze was bang, zó bang!!

Al drie weken nu, ging ze met angst in haar hart naar hem toe.

Gelukkig, ze was er.

 

Snel liep ze naar de zaal en ging stil bij zijn bedje zitten.
Ze keek naar hem. Zó stilletjes lag hij daar!
Zijn kleine beentjes in de stellage, boven zijn bedje.
Niets, maar dan ook niets bewoog aan hem.
Zelfs zijn oogleden, bleek in het stille gezichtje niet.

Zo zat zij daar en al wat er de laatste tijd was gepasseerd ging door haar geest.

De zuster kwam langs en vroeg of zij haar misschien een boterham en een kopje koffie aan mocht bieden.

Zij kénde het verdriet van deze vrouw en ze zou haar zo graag willen troosten. Maar hoe???

Ook zij voelde zich machteloos. Hoeveel leed had zij al niet gezien op deze afdeling. Maar nu, dat vechten om het leventje van dat kleine jochie en het leed van de moeder die het al zo moeilijk had omdat zij alléén stond voor de opvoeding van haar kinderen.

‘Gaat het een beetje?’ vroeg zij aan de vrouw. De vrouw knikte en zei ‘Hoe lang nog zuster. Wat moet ik nu doen. Zou hij nog wel beter kunnen worden? De doktoren willen dat ik nu een beslissing neem over het beëindigen van de behandeling. Zuster, wat moet ik toch doen. Ik hou zo van dat kleine manneke, maar wil hem ook niet meer zien lijden.’
De zuster legde een arm om haar schouder en moest haar het antwoord schuldig blijven.

 

En dan……………. gebeurde het wonder. De doodstille oogleden van het kind bewogen!!!!!!!!

‘Zuster kijk dan toch’ riep de moeder door het dolle heen.

Het eigen hartje van het kind probeerde het werk van de machine over te nemen.

 

Snel werden  de geneesheren die hem behandelden opgeroepen.

Zij konden hun ogen niet geloven. Immers zij hadden het kind al opgegeven en nu………

Kijk toch!! Hoe is dat nu mogelijk.

 

De moeder huilde van blijdschap, maar de geneesheren probeerden haar geluk wat te temperen en zeiden ‘ Mevrouwtje, ik begrijp Uw vreugde. Maar vergeet niet. Dit kind heeft een ernstig hersenletsel opgelopen. De vraag is, hoe ontwikkeld zich dat als hij geneest? Wellicht zal zijn verstand een knauw hebben gekregen. Misschien ware het beter geweest, als dit niet was gebeurd’.

 

Maar de moeder wist, dat nu alles zou goed komen. Blijkbaar gebeuren er toch nog wonderen en zij was er van overtuigd dat dit er één was.

De Heer had haar kind gespaard en zou ervoor zorgen dat óók dat andere goed zou komen. Dankbaar richtte zij haar gebed tot Hem die over alle dingen waakt en dankte Hem voor de redding van haar kind. Dàt was het belangrijkste. Hij zou léven!!!! En de rest zou óók goed komen.

Zij hoefde het Dilemma niet te nemen!!

 

 

Epiloog.

 

Acht maanden later mocht zij haar kind mee naar huis nemen. Vele, vele onderzoeken en operaties volgden nog en haar kind zou tot aan zijn volwassenheid de gevolgen van het ongeluk blijven dragen.  De slang van het beademingstoestel in het strottenhoofd, had ervoor gezorgd dat er een

littekenweefsel optrad en telkens wanneer de chirurgen de opening in het strottenhoofd wilden dichtmaken, dreigde het strottenhoofd zich samen te trekken, waardoor verstikking dreigde en er wéér een opening moest worden gemaakt.Toen hij volwassen werd kon de canule verwijderd worden.

Dilemma’s zouden er nog velen volgen.
Bijvoorbeeld toen hij op de Mytylschool zat omdat een andere school hem niet wilde hebben vanwege het gevaar dat de canule er uit zou gaan, dat weer direct levensgevaar zou kunnen opleveren.

 

Schrijfster dezes mag zich nu gelukkig prijzen met een zoon, die midden in de maatschappij staat en geheel genezen is.

Over dilemma’s gesproken!!

 

 

©Mieke Batenburg

 

 

 

 

HOME

   

BACK

   

NEXT