|
De
Wisseling der Seizoenen. Toen ik vanmorgen langs mijn bloembakken liep, zag ik dat de krokusjes hun kopjes al weer boven de grond uit steken. Enkele van hen vertoonden al een kleurtje en óók de hyacinten die ik na de bloei, twee jaar geleden, in de bakken had geplant rukken vanuit de diepe aarde óp om straks hun heerlijke geur en kleurenpracht weer ten toon te spreiden. De
sering begint knoppen te vormen en de bruidsluier, die zich om de pergola heeft
gewonden, ontwikkeld alweer nieuw blad. De rozen, maken zich klaar om ons, over
enige tijd, weer een zomer lang te
laten genieten van hun heerlijke geur en kleur. Dit alles is een teken dat de
lente binnenkort weer zijn intrede doet en dat Koning Winter zijn terrein prijs
zou moeten geven aan de Lentekoningin. Ongemerkt,
zonder opzien te baren zal de winter plaats maken voor de lente en de
koolmeesjes zullen de nestkastjes op het balkon controleren om te zien of deze
geschikt zijn om voor hun nageslacht een goed onderkomen te bieden. Terugkijkend
op de, nu bijna voorbije winter realiseer ik mezelf dat de wisseling van de
seizoenen de laatste jaren vrij onopvallend in zijn werk gaat. De
koude en strenge winters van vroeger, zoals ik ze mij nog kan herinneren uit het
verleden, zijn tot het verleden
gaan behoren. De koukleumers onder ons zullen daar niet rouwig om zijn, want
uiteindelijk zijn de winters van tegenwoordig veel vriendelijker voor onze
stramme botten, wat zéker mee gaat tellen als je een dagje ouder wordt. Tóch denk ik nog vaak met weemoed terug aan die winters van weleer, waarvan ik mij nog goed kan herinneren hoe ik met mijn zusje en enkele vriendjes en vriendinnetjes, als kind kon dollen in de zachte sneeuw. Gekleed
in dikke wintertruien, met een ijsmuts op en lekkere warme wanten aan, maakten
we een heuse sneeuwhut. Aan het eind van de oprijlaan ( gemaakt van
sneeuwwallen) hield een sneeuwpop de wacht en de ingang van de hut werd
afgesloten met een oude deken. Met
een oud kleed op de vloer en van huis meegebrachte lekkernijen brachten we vele
uren dóór in ons eigen sneeuwhuis en wij voelden ons de koning te rijk. En
dan maar hopen dat de vorst nog een poosje mocht aanhouden en dat er nog méér
sneeuw zou vallen. Onze
ouders, die soms even kwamen kijken of alles wel goed ging, moesten zich éérst
melden vóórdat ze zich in ons heiligdom mochten begeven!!!!. Ja,
…… Dat waren leuke tijden. Ik kan me óók nog herinneren dat we wedstrijdje
speelden met de slee. We gingen met z’n vijven of zessen, naast elkaar, van
boven op de dijk, naar beneden de helling af en wie het eerste beneden was had
gewonnen en kreeg als beloning een appel. Dát
was lachen, gillen en plezier maken en dat allemaal voor een appel. Een
kind was toen nog met weinig tevreden, dat is in deze tijd wel anders geworden. In
die tijd gebeurde het nog dat rivieren dichtvroren en dan
konden we de schaatsen onderbinden en heerlijk zwieren en
zwaaien op het brede water. Het
gebeurde dat waaghalzen de dichtgevroren rivier De Merwede
bij Dordrecht overstaken. Ook
auto’s waagden zich in deze strenge winters op het ijs om de oversteek naar
Papendrecht te maken. Dát vond ik maar een gevaarlijke vertoning. Ik was bang
dat zo’n zware auto door het ijs zou zakken, met alle nare gevolgen van dien. Toen
ik wat ouder werd, de kinderschoenen was ontgroeid en de schoolperiode áchter
mij had gelaten, voer ik met mijn vader op de Nederlandse binnenwateren. Ik
hield van het schippersleven en wilde niets liever dan mijn vader assisteren aan
boord, zodat hij niet met (vreemd) personeel hoefde te varen. Ik
haalde mijn Rijnpatent en was daardoor bevoegd om zelfstandig met een schip te
varen op de wateren tot en met Bazel. Vaak denk ik terug aan deze fijne tijd en
zou er nog heel veel over kunnen vertellen. Mijn
moeder en de andere kinderen woonden samen op een ark, die vader had gekocht.
Vader en ik waren soms weken van huis, voordat we de andere gezinsleden weer
ontmoetten. Op
een keer hadden we een sleep naar Antwerpen gebracht en hoopten nog op tijd
terug te zijn om de Kerst samen met “moeder de vrouw”, zoals vader dat kon
zeggen, thuis te vieren. Het
vroor dat het kraakte en het zou een klus worden om de met ijsschotsen bedekte
wateren te bevaren. De leidingen van de olietoevoer dreigden te bevriezen en met
lappen poetskatoen gebonden om de leidingen, probeerden we dat te verhelpen. Voortdurend
ijsbrekend op onze vaarroute, zijn we uiteindelijk toch nog op tijd
thuisgekomen. Het
had er om gespannen, maar het was gelukt!!!! Zó,
mijmerend over oude tijden, wordt ik plotseling opgeschrikt door mijn
echtgenoot. Hij vindt dat het tijd wordt dat er nu ook eens aan hém wordt
gedacht. Een
lekker kopje koffie komt hem wel toe, vindt hij. En
terwijl ik schuldbewust de keuken induik om aan zijn wens te voldoen ben ik
ineens weer terug op deze, toch wat troosteloze ‘bijna’ lentedag, waardoor
deze mijmering tot stand kwam. En
dan nú, ……..Óp naar die mooie zomer waar wij allemaal zó naar verlangen. ©Mieke Batenburg 2003 |