De trein ratelt over de rails.
Volgepakt met witte, bruine, zwarte, stinkende mensen en dieren.
Er hangt een stank van urine, vuile lichamen en etensresten in de
wagon.
Vooral veel knoflookgeuren.
Ik ga bijna over mijn nek van alles wat ik zie.
Kippen, hanen en kuikens lopen gewoon over de weggezakte massa heen
en laten hun derrie achter.
Dan weer op het hoofd van een kleurig uitgedoste negerin en dan weer
op de rug van een kamelenjager.
De smerige coupé is wit van de rook.
Ik hoest en steek mijn hoofd door een klein raampje om even adem te
halen.
Het is een herrie van jewelste in de trein.
Kinderen huilen en anderen bieden met harde stem hun waren aan die
zij in manden op hun rug dragen of op de grond voor hun voeten
hebben gezet.
Soms klinkt er een harde knal. Dat is een of andere Berber die, met
zijn stem niet over de anderen heen kan komen en meent dat hij dan
maar al schietend zich verstaanbaar moet maken.
Hij wil zijn tapijten kwijt zijn, voordat de trein straks stopt bij
het volgend station.
We rijden met de trein midden door ‘The Land off Nowhere’.
Angstig kijk ik om mij heen.
IK zoek mijn echtgenoot!!
Waar is hij nou?
Zojuist zat hij nog boven op onze bagage in een hoek van de ruimte
en probeerde hij een dutje te doen. Maar opeens was hij weg.
Ik zoek hem, maar door de volgepakte mensenmassa en de chaos kan ik
hem niet vinden. ‘ Heeft U misschien een oudere heer gezien met
een hoedje op’, vraag ik aan een mollige dame die, zo te zien ook
een toerist is?
Zij schudt haar hoofd, waardoor haar onderkinnen als een gek aan het
schudden gaan.
‘Zoveel vlees zou toch wel erg zwaar zijn om mee te dragen’, is
de weinig vleiende gedachte die door mij heen gaat.
Vérder ga ik, klimmend over de lichamen die elk vrij plekje op de
bodem van de coupé bezet houden.
Met handen en voeten gebarend, vraag ik aan iedereen, wie mijn
Martin heeft gezien.
Een Fakir, in een donker hoekje tegen een wagondeur leunend, draagt
een glibberige slang in een mandje met zich mee. Hij kijkt naar mij
met zijn ondoorgrondelijke, stekelige ogen. De gemene kop van de
slang komt boven de rand van de mand uitkijken en ik deins
geschrokken terug.
Waar is Martin nou toch? Wanhopig zoek ik
verder. Iemand gooit uit balorigheid een ei in mijn richting. Het
komt met een keurige worp op mijn haar terecht, spat uiteen en het
kapotte ei druipt in een vieze straal over mijn gezicht op mijn
gescheurde T-shirt. Met een blad van een kokospalm uit de mand van
de groente-en fruitkoopman probeer ik mijn gezicht weer schoon te
maken. Misselijk word ik van dit alles. Van die opééngepakte,
stinkende massa mensen en dieren. ‘Hoe kunnen mensen zó leven’
gaat het door mij heen.
De trein maakt schokkende bewegingen en gaat met veel stoom en
gefluit vààrt verminderen. ‘We naderen zeker een station’,
denk ik. ‘Zou Martin mij ook lopen te zoeken?’
Zoekend kijk ik om mij heen.
‘Als hij straks maar niet de trein uitgaat omdat hij misschien
denkt dat ik dat óók zou doen,’ Vertwijfeld ga ik verder. Ik
probeer bij een uitgang te komen en op dat moment komt de trein tot
stilstand.
Ik kijk of ik hem zie, maar dat is vrijwel een onmogelijke zaak.
En dan……. Ineens, zie ik hem!!
‘Martin!!!’ roep ik zo hard ik kan.
‘Wacht’ Ik maai met mijn armen om uit de trein te komen.
Angstig hóór en dan voel ik dat de trein weer vaart gaat maken.
‘Ik moet er uit!!’, schreeuw ik.’Ik moet er uit!!’
Ik zie hem naar me zwaaien.
Hij lacht.
Er staat een Engel naast hem op het verder lege station waar hij
is uitgestapt. De Engel slaat beschermend haar gevleugelde armen om
zijn schouder en knikt mij geruststellend toe.
Het is of ze tegen mij zegt, ‘Wees maar gerust hoor. Hij is veilig
bij ons’.
Martin lacht naar mij! ‘Wacht!!’ roep ik, maar hij hoort mij
niet meer.
Met een schok word ik wakker, kijk naar Martin’s lege bed en wéét
dat het een droom was.