Sinterklaas-Kapoentje.

Soms maken mijn grijze hersencellen een reis door de tijd en belanden dan zomaar in het jaar 1951, waar deze gebeurtenis plaatsvond.
Ik zou een jaar of tien/elf zijn geweest, toen wij door de Reder van onze sleepboot, met de  “Ms : Jan Lieven”, uitbesteed werden bij de werkzaamheden rondom het graven van het Amsterdam Rijnkanaal.
Wij werden gestationeerd nabij de nog te bouwen sluizen van Wijk bij Duurstede en de baggermolens baggerden verder om het kanaal naar Amsterdam te realiseren.

De volgeladen bakken werden door mijn vader naar de dichtsbijgelegen stortplaats buiten de vaargeul gesleept en daar van hun lading bagger ontdaan, waarna onze boot met de lege bak terugvoer voor een nieuwe lading.

Voor ons, kinderen, was dat een heel normale gebeurtenis. Wij groeiden daarin op en gingen naar school, daar waar we op dat moment het dichtst bij aan het baggeren waren. Dat ging niet zo als gebruikelijk bij de kinderen aan de wal. Zij gingen gewoon met de fiets naar school of werden gebracht door hun ouders!

Nee, bij ons ging het zo!! 

Vader zette ons aan de wal op een plaats, waarbij we zo dicht mogelijk de school benaderden.
Hij voer dan heel dicht langs de peilers van een brug over het kanaal en dan moesten we zo ver mogelijk springen om niet met natte kleren op school te komen.
Dat lukte dan ook meestal wel, want als het je al een keer was overkomen dat je sprong niet ver genoeg was geweest, dan zorgde je de volgende keer wel dat zoiets je niet meer zou overkomen.

Daarna moesten we dan nog vaak door de weilanden een hele afstand afleggen, vóórdat we ons op school present konden melden.

Vaak kwamen we te laat, maar de Meester had begrip voor onze situatie en zodoende hebben we toch een fijne lagere schoolperiode meegemaakt.

Na schooltijd wachtten wij ons Vader weer op bij de brug, waar hij ons weer oppikte.
In het weekend, waren  de baggermensen niet aanwezig en ééns in de veertien dagen had Vader weekenddienst en moest hij toezicht houden of alles wel goed ging op de baggermolens en het werkmateriaal.
Maar de daartussen liggende weekenden voeren we naar het nabijgelegen stadje Culemburg, waar wij het weekend doorbrachten.

In Culemburg woonde een vriend van mijn Vader, die hij had leren kennen omdat deze in dienst was als inspecteur bij Rijkswaterstaat.

Regelmatig voer hij met ons mee om te controleren of de bagger wel op de juiste plaats gestort werd.

Ook wij: mijn zusje die ruim een jaar ouder is, ik, en mijn kleine broertje, die een jaar of vier, vijf zou zijn geweest, vonden het altijd een feest wanneer “De Zwarte”, want zo werd hij genoemd, bij ons aan boord stapte.

Mijn jongste zusje van twee had in die tijd nog geen besef van de gebeurtenissen.
Er was eigenlijk weinig van de Zwarte bekend, maar mijn ouders wisten wel te vertellen dat Ome Ries,  zo noemden wij kinderen hem, in de oorlog zich zeer verdienstelijk had gedragen en zelfs de Burgervader uit handen van de Duitsers had weten te redden.

Deze was hem uiteraard zeer dankbaar voor het redden van zijn leven en hij bood “de Zwarte” een studiebeurs aan om te gaan studeren.
Maar daarin had deze ‘Swiebertjes figuur’, zoals ik hem in mijn herinnering blijf zien, in het geheel geen trek. Er werd hem toen maar een baantje bij Rijks Waterstaat aangeboden, en in die hoedanigheid hebben wij hem dan ook leren kennen.

Wanneer de Zwarte zich bij ons aan boord meldde hadden wij altijd de grootste pret.

Want hij was een expert in het buikspreken en altijd weer wist hij mijn kleine broertje zóver te krijgen dat hij over het hele schip ging zoeken naar “ het lochie(jochie) van Lullie(jullie)”, zoals hij dat, zo lekker brabbelend kon zeggen.

Hij begreep maar niet waar dat lochie van lullie nu zo gauw gebleven kon zijn. Hij had zich toch het heen en weer gezocht op het schip?

Wij ‘ouderen’ hadden dan altijd de grootste lol!!



Tegen Sinterklaastijd werd mijn vader gevraagd of hij Sint Nicolaas en zijn Pieten aan de kade van Culemburg aan de wal wilde zetten ter gelegenheid van de jaarlijkse aankomst van de Goed Heilig man.

Mijn vader stelde zijn diensten beschikbaar en zo kwamen wij op 5 december met een in de vlaggen gehesen sleepboot en zwarte pieten die in de mast en elders aan dek gekke kapriolen uithaalde in de haven aan.

Aan de kade had zich reeds een joelende menigte moeders en kinderen verzameld.
Ik voelde mij natuurlijk ten opzichte van al die kinderen erg bevoorrecht en trots dat wij  Sinterklaas mochten varen en ik besefte toen zeker nog niet dat de Sint onze eigen Ome Ries was.

De aankomst was in de vroege morgenuren, en ’s middags was Sint Nicolaas door een plaatselijke schoenwinkel (de Bata), uitgenodigd om in de winkel de kindertjes van de klanten te verrassen met pepernoten en suikergoed, en voor de kinderen van de klanten die een ixs bedrag aan goederen hadden gekocht, een extra presentje te geven.
 In de tijd die tussen de aankomst en de presentatie in de Bata lag, had Sint  zichzelf inmiddels getrakteerd op een borreltje, want ook voor hém was het feest nietwaar? Maar, door het sterke vocht was zijn baard  los gaan zitten.

Daar wist hij wel een oplossing voor, zei hij  en hij vroeg aan de waardin of zij misschien een goed hechtende lijm voor hem had, waarmee hij zijn baard weer kon vastplakken.

Dat werd geregeld.
De Zwarte nu was een zeer sociaal voelend mens en hij kon het niet verdragen dat alleen  kinderen van ouders die flink besteed hadden in de zaak verwend zouden worden op Sinterklaasdag terwijl de kinderen van de armere mensen alleen maar wat pepernoten zouden krijgen.
Onder invloed van de borreltjes die hij aangeboden kreeg door de klanten van het café waar hij de resterende tijd door moest brengen voordat hij naar de Bata kon vertrekken, was hij steeds meer in zijn mening gesterkt dat Sinterklaas er voor álle kinderen was, dus ook voor de arme sloebers, en hij deelde met gulle hand de pakjes uit die eigenlijk alleen bestemd waren voor de goede klanten.

Het resultaat was dat er op een gegeven moment niet meer voldoende pakjes waren en dat de winkelier, na menigmaal op zijn tanden geknarst te hebben,

 Sint Nicolaas sommeerde met deze “onzin” op te houden, waarop de Goed Heilig Man hem de vraag voorlegde, wie er nu eigenlijk Sinterklaas was, hij of de winkelier, waarop laatstgenoemde bedremmeld afdroop.
De ouders van de armere kinderen waren hem dankbaar en de kindertjes blij met hun niet verwachtte cadeautjes.
Na het sluiten van de zaak kon de Zwarte, niet een beloning voor zijn diensten in ontvangst nemen, maar wel een flinke reprimande van een woedende winkelier, wiens bedoeling het niet was geweest om Sinterklaas te spelen, maar om goede zaken te doen.

Boos en teleurgesteld over de houding van de winkelier, klom Sinterklaas op zijn paard en besloot nog maar een afzakkertje te gaan halen bij de waardin die hem ’s middags zo vriendelijk had behandeld.Daarnà zal hij dan zijn kostuum weer inleveren bij de nonnetjes voor de volgende Sinterklaas die een bezoek zou gaan brengen aan de kindertjes thuis.

De borreltjes gingen inmiddels werken en hij kon maar ternauwernood op zijn paard komen, maar met een zetje van welgemoede omstanders kreeg hij het toch voor mekaar.

In een gezapig drafje ging het richting café, maar toen hij daar aankwam kon hij de moed niet meer opvatten van zijn paard te stappen, zodat hij gewoon maar met paard en al het café binnenreed.

Het was gezellig in het café en de Zwarte dronk, tevreden over zijn goede daden, het ene borreltje na het andere, waarbij hij helemaal de tijd had vergeten dat het Sinterklaaskostuum moest ingeleverd worden.

Op een gegeven moment echter,  ging de deur van het café open en een boze Broeder van het plaatselijke klooster kwam binnen.
Hij liep naar de pseudo Sinterklaas toe en sommeerde hem zich te ontdoen van het Sinterklaaspak dat elders zijn diensten moest bewijzen en waar de nieuwe huurder met smart op wachtte.

Geïrriteerd kwam de Zwarte van zijn barkruk. Trok zijn tabberd uit, zette zijn mijter af, en zei: “Zo’n onverdeeld genoegen is het nu ook weer niet om Sinterklaas te spelen als je niet eens aan die arme kinderen een cadeautje mag geven. Neem die rommel maar weer mee!!”
Hij trok zijn baard af, waarbij hij was vergeten dat deze met lijm was  vastgeplakt.en vergezelde zijn laatste woorden met een flinke krachtsterm. 

Deze gebeurtenis is vele jaren in de familie vertelt en kwam mij onlangs weer in gedachten, vandaar deze mijmering.

©Mieke Batenburg 2001


 

HOME

   

BACK

   

NEXT