|
Soms maken mijn grijze
hersencellen een reis door de tijd en belanden dan zomaar in het jaar 1951, waar
deze gebeurtenis plaatsvond. De
volgeladen bakken werden door mijn vader naar de dichtsbijgelegen stortplaats
buiten de vaargeul gesleept en daar van hun lading bagger ontdaan, waarna onze
boot met de lege bak terugvoer voor een nieuwe lading. Voor
ons, kinderen, was dat een heel normale gebeurtenis. Wij groeiden daarin op en
gingen naar school, daar waar we op dat moment het dichtst bij aan het baggeren
waren. Dat ging niet zo als gebruikelijk bij de kinderen aan de wal. Zij gingen
gewoon met de fiets naar school of werden gebracht door hun ouders! Nee,
bij ons ging het zo!! Vader
zette ons aan de wal op een plaats, waarbij we zo dicht mogelijk de school
benaderden. Daarna
moesten we dan nog vaak door de weilanden een hele afstand afleggen, vóórdat
we ons op school present konden melden. Vaak
kwamen we te laat, maar de Meester had begrip voor onze situatie en zodoende
hebben we toch een fijne lagere schoolperiode meegemaakt. Na
schooltijd wachtten wij ons Vader weer op bij de brug, waar hij ons weer
oppikte. In
Culemburg woonde een vriend van mijn Vader, die hij had leren kennen omdat deze
in dienst was als inspecteur bij Rijkswaterstaat. Regelmatig
voer hij met ons mee om te controleren of de bagger wel op de juiste plaats
gestort werd. Ook
wij: mijn zusje die ruim een jaar ouder is, ik, en mijn kleine broertje, die een
jaar of vier, vijf zou zijn geweest, vonden het altijd een feest wanneer “De
Zwarte”, want zo werd hij genoemd, bij ons aan boord stapte. Mijn
jongste zusje van twee had in die tijd nog geen besef van de gebeurtenissen. Deze
was hem uiteraard zeer dankbaar voor het redden van zijn leven en hij bood “de
Zwarte” een studiebeurs aan om te gaan studeren. Want
hij was een expert in het buikspreken en altijd weer wist hij mijn kleine
broertje zóver te krijgen dat hij over het hele schip ging zoeken naar “ het
lochie(jochie) van Lullie(jullie)”, zoals hij dat, zo lekker brabbelend kon
zeggen. Hij
begreep maar niet waar dat lochie van lullie nu zo gauw gebleven kon zijn. Hij
had zich toch het heen en weer gezocht op het schip? Wij ‘ouderen’ hadden dan altijd de grootste lol!!
Mijn
vader stelde zijn diensten beschikbaar en zo kwamen wij op 5 december met een in
de vlaggen gehesen sleepboot en zwarte pieten die in de mast en elders aan dek
gekke kapriolen uithaalde in de haven aan. De
aankomst was in de vroege morgenuren, en ’s middags was Sint Nicolaas door een
plaatselijke schoenwinkel (de Bata), uitgenodigd om in de winkel de kindertjes
van de klanten te verrassen met pepernoten en suikergoed, en voor de kinderen
van de klanten die een ixs bedrag aan goederen hadden gekocht, een extra
presentje te geven. Daar
wist hij wel een oplossing voor, zei hij en
hij vroeg aan de waardin of zij misschien een goed hechtende lijm voor hem had,
waarmee hij zijn baard weer kon vastplakken. Dat
werd geregeld. Het
resultaat was dat er op een gegeven moment niet meer voldoende pakjes waren en
dat de winkelier, na menigmaal op zijn tanden geknarst te hebben, Sint
Nicolaas sommeerde met deze “onzin” op te houden, waarop de Goed Heilig Man
hem de vraag voorlegde, wie er nu eigenlijk Sinterklaas was, hij of de
winkelier, waarop laatstgenoemde bedremmeld afdroop. Boos
en teleurgesteld over de houding van de winkelier, klom Sinterklaas op zijn
paard en besloot nog maar een afzakkertje te gaan halen bij de waardin die hem
’s middags zo vriendelijk had behandeld.Daarnà zal hij dan zijn kostuum weer
inleveren bij de nonnetjes voor de volgende Sinterklaas die een bezoek zou gaan
brengen aan de kindertjes thuis. De
borreltjes gingen inmiddels werken en hij kon maar ternauwernood op zijn paard
komen, maar met een zetje van welgemoede omstanders kreeg hij het toch voor
mekaar. In
een gezapig drafje ging het richting café, maar toen hij daar aankwam kon hij
de moed niet meer opvatten van zijn paard te stappen, zodat hij gewoon maar met
paard en al het café binnenreed. Het
was gezellig in het café en de Zwarte dronk, tevreden over zijn goede daden,
het ene borreltje na het andere, waarbij hij helemaal de tijd had vergeten dat
het Sinterklaaskostuum moest ingeleverd worden. Op
een gegeven moment echter, ging de
deur van het café open en een boze Broeder van het plaatselijke klooster kwam
binnen. Geïrriteerd
kwam de Zwarte van zijn barkruk. Trok zijn tabberd uit, zette zijn mijter af, en
zei: “Zo’n onverdeeld genoegen is het nu ook weer niet om Sinterklaas te
spelen als je niet eens aan die arme kinderen een cadeautje mag geven. Neem die
rommel maar weer mee!!” Deze
gebeurtenis is vele jaren in de familie vertelt en kwam mij onlangs weer in
gedachten, vandaar deze mijmering. ©Mieke
Batenburg 2001
|