|
Pimmetje.
Eéns
woonde er in een land vér over de horizon een klein jongetje. Hij heette
Pimmetje. Samen met zijn vader, moeder én zijn kleine zusje Pammetje woonde hij
daar héél tevreden in een klein boerenstolpje aan de oever van een wijde
rivier.
Nou ja, heel tevreden!!!!
Bijna tevreden dan!!
Want Pimmetje kon uren lang aan de oever van de rivier
zitten. Dan droomde hij van de zeelui die met schepen over de rivier naar de zee
gingen en in verre landen avonturen beleefden. Pimmetje zou zo graag met die
schepen meegaan. Maar ja, hij wist dat hij daar nu nog te klein voor was en dat
hij om een grote jongen te worden “veel spek moest eten”, zoals vader altijd
zei.
Maar als hij groot zou zijn!!!!
Nou, dan wist hij het wel. Dan wilde hij zeeman worden.
Vader
bebouwde de akkers met granen, sla, andijvie, aardappels en nog véél meer. In
de wei stonden koeien en in het varkenskot lagen varkens te rollen en te knorren
in de modder, dat het een lieve lust was. Moeder zorgde voor het huishouden en
zij kon de lekkerste pannenkoeken maken die je als kind maar wensen kon.
Pammetje,
het zusje van Pimmetje, mocht haar moeder soms wel eens helpen met het
klaarmaken van het beslag voor de pannenkoeken.
Daar
gingen dan de verse eieren in, die Pammetje ’s morgens geraapt had in het
kippenhok.
Eéns gebeurde het, dat Pammetje de mand met eieren uit haar kleine handjes liet
vallen omdat haar broertje tegen haar had gezegd dat zij in haar handjes moest
klappen. Pammetje had gehoorzaam gedaan wat haar grote broer had gezegd en toen
was de mand gevallen en waren bijna alle eieren kapot of gekneusd. Pammetjes
mooie witte schortje was helemaal vies van de eierstruif en terwijl Pimmetje
zich een bult stond te lachen om het onthutste gezichtje van zijn zusje, was zij
huilend naar huis gerend en toen ze onder tranen aan haar moeder vertelde wat er
was gebeurd, kreeg ze nog een standje ook omdat ze zó dom was geweest om zonder
nadenken te doen wat haar oudere broertje haar opdroeg.
Pimmetje
ging vaak met zijn vader mee naar het land en soms mocht hij van zijn vader
meehelpen om de bloemkolen te snijden, of aardappelen te rapen.
Maar het leukste was, wanneer hij door zijn moeder naar het aardbeienveld
gestuurd werd om een mandje met aardbeien te plukken. De mooie rijpe
zomerkoninkjes lachten hem van verre al toe en het leek wel of ze hem vroegen
hen te plukken.
Pimmetje deed dat dan ook naar hartelust en menig aardbeitje verdween in zijn
gulzig mondje, want; wàt is er nu heerlijker dan zo’n lekker sappig
aardbeitje?
Zijn plukmandje had hij meestal al leeg gegeten vóór hij thuiskwam, waar zijn
moeder ongeduldig op hem wachtte, om van de aardbeien jam te maken.
Ja, die Pimmetje was een echte ondeugd.
Zo kon hij soms de klompen van zijn vader aan elkaar binden. Dan lag hij op de
uitkijk wanneer vader ’s morgens vroeg, nog maar net uitgeslapen zijn klompen
aan wilde trekken. Als dat niet snel lukte werd vader boos en Pimmetje had de
grootste lol.
Op
een keer had die kleine ondeugd een varken in het varkenskot aan zijn staart
getrokken, Het varken ging liggen rollenbollen in de modder en Pimmetje, die
niet op tijd los kon komen viel óók om in de modder.
Zijn broekje en hemdje waren helemaal doorweekt en hij stonk zó erg dat moeder,
nadat ze hem een flink pak slaag had gegeven, in de badkuip had gestopt en er
eens flink op los had geboend. Daarna had ze hem naar zijn zolderkamertje
gestuurd, waar hij voorlopig maar moest blijven voor straf.
“Je moet maar eens leren, dat je niet zulke stoute dingen mag doen”, zei ze
boos. “En het moet óók maar eens afgelopen zijn met steeds weer je kleine
zusje plagen. Je blijft vandaag op je kamertje en je krijgt géén avondeten”.
Boos gooide moeder de deur op slot.
Pimmetje
zat verdrietig op de rand van zijn bedje en probeerde te bedenken wat hij nu
moest doen.
Zo’n hele dag op zijn kamer blijven en dan ook nog zonder eten?? Waarom was
moeder nou zo boos geworden?
Hij had toch alleen maar het varken een beetje willen plagen?
Zou zijn moeder nou echt denken dat hij hier de hele dag braaf bleef zitten?
Nee,
dan liep hij net zo lief van huis weg en ging hij wel een andere, lievere moeder
zoeken, die niét zo boos op hem was.
Hij zette een stoel bij het zolderraampje en klom voorzichtig op de stoel.
Deed het zolderraam open en klom op het dak.
Voorzichtig liet hij zich zakken langs de regenpijp en even later stond hij aan
de achterkant van het huis in de tuin.
Gelukkig, niemand had hem gezien. Op een drafje liep hij naar de rivier en toen
er een schip onder de brug doorvoer, sprong hij er op en verstopte zich tussen
de lading.
“Zie zo, dat is gelukt”, dacht hij terwijl hij een rustig plaatsje zocht,
“ik ga nooit meer naar huis. Ik ga de wijde wereld in en avonturen beleven. Dàt
is eens wat anders dan die saaie boerderij aan de rivier”.
Pimmetje was helemaal koud en stijf geworden van het liggen op de meelzak.
Het
was ook harder gaan waaien, maar dàt kon Pimmetje vanuit zijn schuilplaats niet
zien. Wél voelen, want het schip maakte ruwe schommelende bewegingen. Zijn maag
kwam in opstand en hij bedacht dat
hij beter naar het dek zou kunnen gaan om te zien of hij misschien iets te eten
kon bemachtigen. Dan zou zijn maag wel weer rustig worden, dacht hij.
Met twee handen duwde hij tegen het luik, waarmee het ruim was afgesloten en
klauterde naar boven.
“ Hé, wat doe jij hier”, bulderde een luide stem.
Geschrokken bleef Pimmetje staan en keek midden in het verwonderde gezicht van
een ruwe zeebonk, die minstens net zo verbaasd was als onze kleine verstekeling.
‘Ik eh, ik heb zo’n honger’, stamelde Pimmetje.
‘Wàt honger, niks honger’ mopperde de man. ‘Kostgangers houden we er hier
niet op na. Als je eten wil, zou je moeten werken’
En zo werd Pimmetje koksmaatje aan boord van de “Op hoop van zegen”, een
coaster die op Engeland vaarde.
De storm, die al een paar dagen woedde, wilde maar niet gaan liggen. De zeilen
bolden hevig en de golven sloegen wild over het schip.
Pimmetje was er helemaal niet gerust op. Eigenlijk zou hij nu liever bij zijn vader, moeder en zijn kleine zusje zijn en
had hij er spijt van dat hij zomaar van huis was weggelopen.
Op een dag was hij, zich goed vasthoudend aan de reling, met een kroes
koffie onderweg naar de schipper, die met zijn zuidwester over zijn oren
getrokken, stevig het roer in bedwang hield. Toen gebeurde, waar Pimmetje al
bang voor was geweest. Er rolde een grote golf, dwars over het schip en
plotseling schreeuwde de schipper,’Pas op, de mast breekt!!! ONDERUIT!!
De
‘Op hoop van zegen’ maakte slagzij en begon plotseling te zinken. Pimmetje
probeerde nog zolang mogelijk zich vast te houden aan de reling, maar toen moest
hij loslaten, voordat hij mét het schip naar de diepte van de zee zou gaan.
Daarna wist Pimmetje niets meer.
Hij
wist niet dat er een school dolfijnen rond het schip zwom en dat één van de
dolfijnen medelijden kreeg met dat arme ondeugende jongetje. Hij nam het ventje
op zijn rug en bracht hem naar het domein van de zeekoningin. Die woonde in een
mooi en groot paleis op de bodem van de zee. Door de vele ramen keek de koningin
uit op een prachtig onderwater-landschap.
Bóven het paleis zweefden de zeesterren en zorgden ervoor dat het paleis
sfeervol werd verlicht. De koningin wilde juist haar middagdutje gaan doen en
was even gaan liggen op een bank die was gemaakt van een grote zeeoester. De
binnenkant van de oester glom als parelmoer en aan de beide uiteinden van de
bank, hielden de zeepaardjes de wacht, zodat de koningin rustig haar slaapje kon
doen.
‘Hoogheid,
er komt bezoek!!’.
Zo meldde de wacht en terwijl de dolfijn zijn beschermeling bij de koningin
bracht, zei deze. ‘Je wéét toch Flipper dat er in onze onderwaterwereld geen
mensenkinderen op bezoek mogen komen?’
‘Jawel Hoogheid’ antwoordde Flipper,’maar ik had zo’n medelijden met het
jongetje en ik dacht dat U wel zou weten wat er verder met hem moet gebeuren’.
De koningin klapte in haar handen en er verschenen vanachter het zeewiergordijn
twee zeemeerminnen.
Op dat moment opende Pimmetje zijn ogen en vroeg ’ Wat is er gebeurt, ben ik
in de hemel?’
Toen de koningin hem vertelde dat de dolfijn hem had meegenomen naar de diepte
van de zee, kon Pimmetje zijn oren haast niet geloven. ‘Hoe is het mogelijk’
dacht hij. ‘Dat moet ik thuis vertellen. Tjonge is me dàt een avontuur!!’
Hij bedankte de dolfijn voor zijn goedheid en dat hij hem naar dit mooie paleis
had gebracht.
Pimmetje had nog nooit een echte zeemeermin gezien. Wél erover gehóórd en ze
zagen er net zo uit als zijn moeder hem verteld had in een verhaaltje dat zij
altijd vertelde, vóór het slapen gaan.
‘Felicia’ zo zei de vorstin, ‘haal eens even snel een schaal met
zeevruchten, want onze kleine deugniet zal wel honger hebben’.
Felicia was een mooi gevormde vrouwelijke meermin, met prachtige blond golvende
lokken, die over haar blote schouders reikten tot aan haar middel, waar haar
vrouwenlichaam overging in een vissenlichaam. In haar blonde haren had zij een
krans van zeeanemonen en zee-asters. De staart bezaaid met kleurige
paarlemoerachtige schubben bewoog levendig en ze zwom snel weg om haar opdracht
uit te voeren.
Aan de andere zeemeermin, die minstens nét zo mooi was dan Felicia, maar dan
met gitzwart lang haar, zei de koningin:
‘En jij Bernadette, moet voor Pimmetje de kamer van Prins Eduard in gereedheid
brengen, zodat hij straks na het eten fijn kan uitrusten’. Bernadette en
Flipper de dolfijn luisterden verbaasd naar de opdracht die Bernadette moest
uitvoeren. Iedereen in het paleis wist immers dat deze kamer, na de verdwijning
van Prins Eduard, nooit meer gebruikt was. Alleen de koningin kwam daar elke
week en treurde over het verlies van haar zoon.
Prins
Eduard was twee zeejaren geleden ontvoert door een bende stekelbaarsjes toen hij
met zijn mosselvriendjes buiten het paleis op het zeegras aan het spelen was.
Zij waren zo verdiept geweest in hun spel, dat zij de bende van Knor, het
stekelbaarsje, niet hadden opgemerkt. Het hele onderwaterwereldje was bang van
deze bende, want zij roofden alles wat zij te pakken konden krijgen en voor
ontvoering en grof geweld schrokken zij niet terug.
Daarom had de Koningin opdracht gegeven aan de zwaardvissen dat zij goed moesten
uitkijken en haar zoon beschermen indien dat nodig zou zijn.
Door
onoplettendheid van de bewakers, had de stekelbaarsbende hun kans schoongezien
en in een snelle actie trokken ze Prins Eduard in hun midden.
De zwaardvissen die bang waren om gestoken te worden door de stekels van de
stekelbaarsjes, lieten hun zwaarden vallen en gingen er vandoor.
Sinds die tijd, was er niets meer van de Prins vernomen.
De koningin was heel verdrietig en huilde vele zeemaanden lang.
En nu, nu kwam daar zomaar een jongetje naar haar paleis en ze moest weer denken
aan haar lieve Eduard.
Zou Pimmetje niet de plaats in kunnen nemen van het Prinsje?
Dan zou ze niet meer zo eenzaam zijn. ‘Weet je wat’ dacht ze, ik zal morgen
aan Pimmetje vragen of hij wil blijven.
Eérst moet hij maar eens lekker gaan slapen.
Toen
de mooie zeemeermin even later terugkwam met de zeevruchten, viel Pimmetje er
uitgehongerd op aan , en toen hij alles lekker opgepeuzeld had, klapte de
koningin in haar handen en verscheen Bernadette die hem gebaarde met haar mee te
gaan.Moe, voldaan en doezelig ging Pimmetje met haar mee naar de kamer van Prins
Eduard.
‘Wàt
een mooie kamer!!!’ riep Pimmetje. Het was een echte jongenskamer met het
mooiste speelgoed dat je maar kon bedenken.‘Waar is het jongetje dat hier
heeft gewoond?’ vroeg hij aan Bernadette. Die vertelde hem het verhaal van de
verdwenen prins. Pimmetje schrok!!
Hij begreep hoe verdrietig de koningin moest zijn en nam zich voor om morgen het
prinsje te gaan zoeken. Misschien lukte het hem, met zijn mensenverstand wél om
prins Eduard te vinden.
Met dit goede voornemen was hij al gauw in slaap gevallen en de volgende morgen
kwam de Koningin in hoogsteigen persoon Pimmetje wakker maken voor het
zeeontbijt, dat bestond uit gerookte garnalen op een bedje van zeegras en
opgediend met melk van de zeekoe.
Dat was wel een heel ander ontbijt dan dat hij thuis voorgezet kreeg en het léék
niet op spek, maar Pimmetje begreep
dat hij sterk moest zijn, wanneer hij erin wilde slagen het prinsje op te
sporen.
Nà
het eten vroeg de zeekoningin aan Pimmetje of hij bij haar wilde blijven omdat
zij zo eenzaam was zonder haar Eduard, maar Pimmetje vertelde haar van zijn
plannetje om het prinsje te gaan zoeken en toen lachte de koningin weer. Ze had
vertrouwen in Pimmetje en hoopte dat de Prins gevonden zou worden.
Ze beloofde dat Pimmetje weer naar huis terug zou mogen gaan, als het hem lukte
de Prins te vinden.
De
andere morgen ging Pimmetje op weg. Hij zou naar de zee-tovenaar gaan en vragen
of deze in zijn glazen bol zou willen kijken. Misschien zou dat het zoeken wat
kunnen verlichten.
De zeemeerminnen Bernadette en Felicia zouden Pimmetje vergezellen.
Evenals een leger van zwaardvissen, die opdracht hadden gekregen alléén maar
op te treden als het leven van Pimmetje in gevaar zou komen.
Verder bestond het gevolg van Pimmetje uit een aantal koffervissen, die eten en
drinken moesten dragen.
Oók
had de koningin een briefje gestuurd naar Neptunus, de zeekoning van een naburig
onderwaterland en hem gevraagd om Pimmetje met zijn gevolg vrije doorgang te
verlenen.
Daar had zij wel vertrouwen in, want koning Neptunus was niet alleen een vriend
van hààr maar óók van de zeelieden, die hem altijd weer een groet brachten
wanneer zij de Evenaar passeerden.
Na
twee zeedagen bereikten Pimmetje en zijn gevolg de grot waar de zee-tovenaar
woonde. Die deed eerst maar lelijk, maar toen Pimmetje vertelde dat hij op zoek
was naar Prins Eduard, werd de tovenaar vriendelijker en was hij graag bereid om
in zijn glazen bol te kijken.
En, ja hoor, nadat hij een poosje in de bol had zitten turen kon hij een glimp
van het prinsje zien. Wàt zag hij?
De
tovenaar sprak: ‘ik zie een grot en een jongetje
dat gevangen zit in een net. Hij is vies en slecht gekleed. Zijn haar hangt
verwart om zijn gezicht en hij huilt. Ik zie ook een stekelbaarsje met een gemeen gezicht, dat het
jongetje prikt, met het zwaard van de zwaardvis en ik zie een aantal
stekelbaarsjes die hem steken en uitlachen’.
‘O, wat erg, zei Pimmetje. Vertel ons, wààr hij is en hoe ik hem moet
vinden’
De tovenaar pakte een stuk zee-ouwel en tekende een kaart van de weg die
Pimmetje en zijn gevolg zou moeten
gaan.
Nadat Pimmetje de tovenaar had bedankt gingen ze op weg naar de grot en na drie
zeedagen kwamen ze op de plaats van bestemming.
De
grot werd bewaakt door een zeedraak. Pimmetje probeerde dichterbij te komen om
de Prins te bevrijden, maar telkens had de draak het in de gaten en spuwde hij
vuur, waardoor Pimmetje steeds weer terug moest wijken. Wat nu??
Pimmetje krabbelde eens achter zijn oren en dacht diep, diep na.
Hij wist dat de zeedraak dól was op gerookte garnalen. 'Als hij nou eens een
handvol garnalen naar hem toe zou gooien?' dacht hij.
Dan zou de draak afgeleid worden en kon Pimmetje er tussendoor glippen.
Pimmetje
riep de koffervissen bij zich en vroeg hen om de hele voorraad garnalen aan de
zeemeerminnen te geven. Die gooiden de helft van de voorraad in het gezicht van de draak en ja……… het
werkte.
De zeedraak draaide zijn kop helemaal om en had alleen nog maar erg in het
lekkere hapje dat hem werd voorgehouden. Pimmetje glipte tussen de poten van het
monster door, rende naar de prins en sneed gauw een gat in het net waarin de
prins gevangen zat.
De twee leden van de stekelbaarsbende werden in de pan gehakt door de
zwaardvissen die Pimmetje waren gevolgd.
‘Nu nog uit de grot zien te komen’ dacht Pimmetje.
De
draak had inmiddels zijn lekkere hapje verorberd en keek lodderig wat er achter
hem gebeurde.
Maar toen Bernadette en Felicia de andere helft van de garnalenvoorraad in de
ring gooiden, was de keus van de draak snel gemaakt en had hij alleen nog maar
oog voor zijn lekkere maaltje. Zo’n smakelijke maaltijd kreeg hij ook niet
elke dag!
Prins
Eduard was erg verzwakt, maar wel heel dankbaar voor zijn redding en toen
Pimmetje hem vertelde dat hij nu weer gauw thuis zou zijn, waar de zeekoningin
vol verlangen op hem wachtte, braken bij het prinsje de tranen los van vreugde.
Pimmetje stuurden de zeemeerminnen vooruit, om de koningin te vertellen van de
wonderlijke redding van de prins en de stoet volgde wat langzamer, want de prins
moest nog veel rusten.
Zes zeedagen later arriveerde de stoet op het paleis waar een dolgelukkige
Koningin haar verloren gewaande zoontje in haar armen sloot.
In het hele paleis was er blijdschap en er werd een groot feest voorbereid ter
ere van de prins.
De
koningin was Pimmetje heel dankbaar. Ze kuste hem op beide wangen en hoewel ze
liever had gezien dat Pimmetje bij Haar en Prins Eduard zou blijven wonen,
beloofde zij hem, dat de dolfijn
Flipper hem, nà het feest zou
terugbrengen naar zijn vader, moeder en zijn zusje Pammetje.
Zo
was er weer blijdschap in het onderwaterpaleis en óók Pimmetje was dolgelukkig
want nu zou hij weer gauw thuis zijn. Wàt zou hij een hoop te vertellen hebben
en wat zouden zijn vriendjes jaloers zijn op de avonturen die hij had beleeft.
Hij nam zich voor om Pammetje nooit meer zo te plagen en voortaan lief te zijn
voor zijn vader en moeder.
Pimmetjes
vader, die sinds zijn verdwijnen elke morgen naar de rivier ging en vol hoop en
verlangen uitkeek over het water, zag op een morgen een dolfijn de rivier
opzwemmen. Maar……. Zag hij het
nu wel goed???
Het leek wel of er iemand op de rúg van de dolfijn zat!!!
Het leek Pimmetje wel.
En ja hoor, het wàs Pimmetje. Vader kon nu heel duidelijk zijn blonde
krullekopje zien.
Snel
rende hij naar huis en riep blij, ‘Moeder, Pammetje, kom gauw. Pimmetje is
terug’.
Ze holden naar de rivier, waar Pimmetje net op de pijler van de brug klom om aan
wal te gaan.
‘Vader,
Moeder, Pammetje. O, wat ben ik blij dat ik jullie weer zie. Ik zal nooit meer
weglopen Vader.
Thuis is het toch het allerfijnste!!!!.’
Snikkend van blijdschap vloog hij in de armen van zijn ouders en zei;
Krijg ik nu weer lekkere aardbeien en pannenkoeken mams, want er is toch niemand
die zo lekker kan koken dan U.
Hij keek nog even om en zwaaide naar Flipper de Dolfijn. Hij zou al zijn nieuwe
vriendjes in de diepzeewereld missen, maar óóóh….. wàt was hij blij weer
thuis te zijn!!!.
Later zou hij àlles vertellen over zijn avonturen, maar weglopen zou hij nooit
meer doen.
Zó
kwam er aan dit verhaaltje toch nog een gelukkig einde, zowel voor de
zeekoningin en haar zoontje prins Eduard, als voor Pimmetje, die zich maar wat
graag liet knuffelen door zijn ouders en zijn kleine zusje.
©Mieke
Batenburg 2003
|