|
Toen ik vanmorgen door het raam naar buiten keek, zag ik dat er een dichte mist hing. Dat riep een herinnering op aan die dag in 1956 toen vader en ik met onze sleepboot op de eerste werkdag naar de bouwput zouden gaan van de Haringvlietdam in aanbouw. De dag daarvoor waren we in Hellevoetsluis aangekomen met de ark, waarop moeder en de kinderen woonden. De ark ging altijd met ons mee,als dat enigszins mogelijk was. Zodoende hadden vader en ik een “thuishaven”, waarnaar we ’s avonds laat, na gedane arbeid weer konden terugkeren. ’s Morgens vroeg vertrokken we dan weer met de boot naar onze werkplek. De
ark had vader als casco gekocht. Vader wilde een zeewaardig schip en
niet zo’n kartonnen doosje zoals die vaak ergens in de grachten
een ligplaats hadden gevonden en daar altijd zouden blijven liggen.
Nee…. , ónze ark moest tegen een stootje kunnen en ook bij slecht
weer en ruw water te verslepen zijn naar de nieuwe ligplaats
waarnaar onze arbeid aan de waterwerken ons voerde. Dus
kochten we een mooie Friese tjalk, waarop we bij een werf aan de
Paal een ijzeren opbouw lieten maken. De
ark was vroeger van een slangenmens geweest en de opbouw, was zeer
laag. Het
verhaal ging, dat deze persoon zich de gehele dag, opgerold als een
rolmops, verplaatste. De
nieuwbouw werd dus gewoon over de oude roef gebouwd. Het
werd een mooie woning met voor alle kinderen een eigen slaapkamer. Vele
jaren is hij ons van dienst geweest en het deed wel een beetje pijn
toen we hem uiteindelijk moesten verkopen omdat we aan de wal gingen
wonen. Maar
nu terug naar die mistige dag in 1956. Omdat vader en ik het zo druk
hadden met het vinden van een ligplaats voor de ark, was er géén
tijd meer om een behoorlijke koers uit te zetten naar de bouwput,
zodat we bij eventuele mist, op het kompas terug naar de haven in
Hellevoetsluis zouden kunnen varen. De bouwput voor de eerste fase
van de Haringvlietdam lag ongeveer in het midden van de route tussen
Hellevoetsluis en Stellendam en ons werk bestond vooral uit het
verslepen van bakken, geladen met grote basaltkeien. Soms ook
moesten bij zwaar weer de zandzuigers en de baggermolens naar binnen
(de veilige haven) worden gesleept. De
bakken met basaltkeien konden hun lading op de plaats van bestemming
storten, door een mechanisme in werking te stellen waardoor de bodem
van de bak zich opende.
Omdat
zowel vader, als ik een…, nogal avontuurlijke aard hadden,
besloten we tot het laatste. En dàt hebben we geweten. Vader
had altijd een goed richtingsgevoel en dáár vertrouwden wij op,
dus vertrokken wij vol goede moed richting haven. Omdat de mist zo
dicht was, kreeg ik van vader de opdracht vóóraan op het koppie te
gaan staan en mijn ogen en oren goed de kost te geven voor het geval
dat er soms verdwaalde schepen zich op onze route zouden bevinden. Zo
gezegd, zo gedaan en met een dikke jopper aan tegen de kou en de
nattigheid stond ik daar te vernikkelen aan dek. Er
gebeurde voorlopig niets en na verloop van tijd hoorde ik een
misthoorn. Er vanuit gaande dat dát beslist de misthoorn moest zijn
die op de punt van de haven stond, richtten we onze voorsteven (koppie)
in die richting en omdat we nìets, maar dan ook níets konden zien,
kreeg ik van vader de opdracht om met de peilstok te meten hoe diep
het water was. De
lange stok werd dan vooraan op de boot (de kop) in het water
gestoken en zo liep je dan naar achteren.(de Kont). Zolang
de stok de grond niet raakte kon je er van uitgaan dat je geen
risico liep om “aan de grond te lopen“, zoals dat heet. Alles
ging goed en het geluid van de misthoorn, dat steeds sterker werd,
deed ons vermoeden dat de haven nabij was. Ik
had het inmiddels, daar aan dek behoorlijk koud gekregen en ik
verlangde naar de warmte van “moeders pappot”, zoals vader dat
zo treffend kon zeggen. Zelfs mijn haren waren zeiknat geworden van
de fijne mistdruppels. Toen………,
opeens voelde ik grond onder de peilstok. Ik
riep aan mijn vader “ Vader, ik voel grond”, maar het was al te
laat. Ondanks dat vader nog probeerde om achteruit te slaan, was er
geen beweging meer in het schip te krijgen en we zaten muurvast. Het
was afgaand water. We
konden geen hand voor ogen zien en we wisten dat de laagste
waterstand pas over een paar uur zou zijn bereikt. Daar zaten we
dan. Gelukkig bleek dat er géén lek was geslagen, maar gezien het
feit dat het water nog veel verder zou zakken en we niet wisten waar
we op terecht waren gekomen, maakten we ons grote zorgen. We zouden
moeten wachten tot het water weer zou stijgen en we vanzelf weer los
zouden komen. En of alles nog niet erg genoeg was, wisten we dat ons
thuisfront ongerust zou worden als vader en ik niet kwamen opdagen.
Van het gebeuren konden we hen níet op de hoogte stellen want wij
hadden in die tijd nog géén mobilofoon aan boord. Na
enige tijd werd de mist iets minder dik en toen zagen we dat er
iemand op de dijk naar ons stond te kijken. Vader vroeg aan hem waar
we in Godsnaam waren terechtgekomen en met een plat boers accent
vertelde de boer ons dat we op een landtong zaten, op enige afstand
van de haven. Op deze landtong was, evenals op de havenmond een
misthoorn geplaatst en wij hadden ons daardoor laten misleiden. Er
zat niets anders op dan de nacht door te brengen op de punt van die
landtong. Gelukkig
had ik eten genoeg aan boord, dus bereidde ik voor vader en mij een
eenvoudig kostje, waarna we besloten om maar te gaan slapen en dan
de andere morgen, als we weer vlot zouden komen, direct dóór te
gaan naar ons werk, vanaf de plaats waar we waren gestrand. Vanaf
een boot van de Waterstaat, zouden we dan, via hun mobilofoon, ons
thuisfront op de hoogte kunnen stellen van wat er was gebeurd. Vader
en ik geneerden ons wél enigszins tegenover de werklui, dus
besloten we hén niets over het gebeurde te vertellen!!!. De
sleepboot was
inmiddels, door het afgaande water behoorlijk gaan hellen. Hij stond
nu bijna rechtovereind, zo leek het. Het schip stond met de kop
omhoog en ik moest op handen en voeten, mijzelf vasthoudend aan de
reling, mijn slaapplaats opzoeken in het achteronder. Ondanks
de zorgelijke toestand heb ik die nacht tóch nog goed kunnen
slapen. Vader en ik zijn de andere dag weer gewoon aan het werk gegaan, maar het is één van de avonturen geweest die ik, samen met mijn vader heb mogen beleven en waarvan de herinnering vanmorgen weer boven kwam drijven toen ik de dichte mist zag.
©Mieke Batenburg 2000 |