|
Het
is de avond vóór Kerstmis. Het wordt stil op straat. De meeste
mensen hebben hun kerst inkopen in huis gehaald en bereiden zich voor
op een paar heerlijke dagen in de familiesfeer bij de fraai opgetuigde
kerstboom met de vele pakjes daaronder. De
kinderen kunnen haast niet wachten op het moment dat ze mogen weten
wat er achter dat mooie pakpapier verborgen zit. Zou
er dat mooie boek in zitten, wat al zo lang op het verlanglijstje
staat? Of
die nieuwe fiets, waarom zij hebben gevraagd? Misschien
wel de, zo zeer gewenste skeelers, zoals de
kinderen op school ook allemaal hebben? Ja,
eigenlijk is dat wel zéker, want in tegenstelling tot vroeger, toen
er nog niet zoveel welvaart was, is er bijna geen wens meer die niet
vervuld kan worden. Voor
de meeste kinderen is Kerstmis één groot feest, vol verwennerij en
gezelligheid. Maar
niet iéder kind is zo gelukkig dat alles in het leven naar wens
verloopt. Óh
nee!! Er is ook veel ( verborgen) armoede onder de mensen. Ook in deze
welvaartstaat, maar daar willen we nu even niets van weten want dát
zal onze feestvreugde kunnen bezoedelen en daar willen we nu even niét
mee geconfronteerd worden !!! Ondanks
de kou en de sneeuw die maar blijft vallen zijn er nog steeds mensen
op straat. Het zijn de
daklozen. Zij die om wat voor reden dan ook, geen vaste verblijfplaats
meer hebben. Er
staat nog een enkele kerstboomverkoper die zijn laatste boom nog aan
de man probeert te brengen. Hij verlangt ernaar, zijn voeten te warmen
bij de verwarming en door zijn vrouw verwent te worden met een
heerlijk warm bakkie koffie. Een
enkeling blijft staan om naar de sfeervolle muziek te luisteren en
komt, wanneer dat nog niet het geval zou zijn, in die vredige
gemoedstemming die nu eenmaal bij deze dagen
hoort en waar je ook moeilijk aan kan ontkomen door het
sprookjesachtige wit, waarmee de wereld is getooid. Hoewel
Japie niet dakloos is, heeft hij tóch zijn heil gezocht bij deze
mensen op straat. Thuis heeft hij niet veel te zoeken!! Zijn
moeder is meestal niet thuis en als dat wel het geval is, dan is ze
meestal dronken. Nee,
Japie heeft het niet getroffen in zijn nog zo prille leventje en
hoewel hij veel van zijn moeder houdt, krijgt hij van haar niet de
zorg en liefde die hij zo hard nodig heeft. Maria,
Japie’s moeder, was nog maar pas achttien jaar toen zij, na een
avondje stappen met een leuke jongen, zwanger werd. De vader van Japie
wilde zijn verantwoordelijkheid niet dragen en zo gebeurde het dat
zijn moeder voor de zware taak stond het kind alléén op te voeden. Allerlei
baantjes pakte zij aan om voldoende geld te verdienen voor hun
levensonderhoud, maar steeds liepen haar pogingen op een fiasco uit en
werd ze ontslagen. Ach….ze
was zelf ook nog maar een kind en had niemand die zich om haar en haar
kind bekommerde. Door
alle tegenslagen raakte Maria in de problemen. Zij
ging drinken, had geen aandacht meer voor haar kind en kon de
noodzakelijkste dingen die nodig waren om in hun levensonderhoud te
voorzien niet meer bekostigen. Het gezin verwaarloosde! Moe
gestreden door de eindeloze zorgen gaat Maria de weg van de
prostitutie op en inderdaad lijkt het erop dat er enige verbetering in
hun financiële situatie komt. Japie weet niet waar deze verbetering
aan te danken is, tot het moment dat hij de buren hoort fluisteren
over de schandelijke levenswandel van “ die slet” van daarboven. Japie
begrijpt, en steeds vaker gaat hij de straat op om de narigheid thuis
te ontvluchten en zo gebeurde het dat hij op deze avond vóór Kerst
door de kille, koude straten van Amsterdam slentert. Zo
ziet het er naar uit dat deze Kerst voor Japie niet zo rooskleurig zal
zijn als voor de meeste andere kinderen. Verdrietig
loopt Japie door de straten en vraagt zich af hoe hij zijn moeder een
beetje kan helpen. Hij
besluit nog even naar zijn vriend, Rooie Siem te gaan! Misschien
wordt hij daar een beetje vrolijker van en daarna gaat hij maar naar
huis, want het wordt tijd dat hij wat te eten krijgt. Hij heeft honger
gekregen van al dat geslenter. Rooie
Siem is een man die, nadat zijn vrouw en kind bij een verkeersongeval
om het leven zijn gekomen, aan het zwerven is gegaan. In
die tijd kon niets hem meer schelen en hij zwierf van stad tot stad.
Nu heeft hij inmiddels zijn verdriet enigszins verwerkt en wil weer
graag als een volwaardig mens in de maatschappij terugkeren. In
Amsterdam heeft hij een plekje gevonden bij het station, waar hij,
door de verkoop van de krant voor daklozen, hoopt de gelegenheid te
krijgen het normale leven weer op te pakken. Maar
hoe hij ook zijn best doet om een baantje te vinden, het lukt maar
niet. De
laatste keer heeft hij gesolliciteerd voor sjouwer in de haven, maar
nog niets gehoord. “Zal ook wel weer niets worden”, denkt hij. Nee,
ook voor Rooie Siem zijn de Kerstdagen moeilijk te verwerken. Van
veraf ziet Japie zijn vriend al staan.
“Hallo,
Rooie Siem “, roept hij. Rooie
Siem schrikt op uit zijn sombere gedachten en er komt een glimlach op
zijn gezicht. De
eerste keer dat hij Japie ontmoette was hij in gezelschap van zijn
moeder geweest. Zij had een krantje bij hem gekocht en ze hadden wat
gepraat over het weer. Jantjes moeder was een knappe vrouw, weliswaar
wat sober gekleed, maar haar schoonheid was er niet minder om. Later,
is het een gewoonte geworden dat Japie hem dagelijks opzoekt en dan
spraken ze over zijn problemen thuis en zocht Japie troost bij zijn
grote vriend. Rooie
Siem moet dan altijd denken aan de tijd van weleer. Zijn
jongen had nu ook ongeveer van Japie’s leeftijd geweest en dat heeft
een band geschapen tussen deze twee eenzame mensen. “
Moet jij zo zoetjesaan niet naar huis”? vraagt hij. “Je moeder
maakt zich wellicht zorgen om je”. “Ach
welnee Siem,” zegt Japie, “waarschijnlijk heeft ze me nog geen
eens gemist! Hoofdschuddend
kijkt Rooie Siem naar het ventje, dat zo veel voor hem is gaan
betekenen. “
Je moet niet boos zijn op je moeder Japie,” zegt hij, “zij heeft
het erg moeilijk en zou waarschijnlijk ook liever hebben gezien dat
jou en haar leven anders was verlopen”. In
zijn zak voelt hij het geld zitten dat hij deze dag heeft verdiend aan
de opbrengst van de kranten. Van een sjieke dame had hij een flinke
fooi gekregen. Zo maar, omdat het bijna Kerst is. “Jullie
hebben zeker nog geen kerstboom, hé Japie?” Japie
schudt zijn hoofd. “Oh nee, dat kon de grauwe weer niet trekken dit
jaar, maar waarom vraag je dat?” “Nou,
weet je, ik kreeg vandaag een flinke fooi van een lieve dame. Zullen
we eens gaan kijken of er nog een boom te koop is ? Dan
gaan we die samen naar je moeder brengen en misschien kan er dan ook
nog wel een kippetje af, en vieren we morgen samen Kerstfeest. Wat
vind je er van?” Japie
kijkt zijn vriend verbaast aan, dat zou fijn zijn!! “Echt
waar, Rooie Siem”?, vraagt hij. Wat zal moeder blij zijn”. Samen
gaan ze op zoek naar de marktkoopman met de kerstbomen en ja, hij
staat er gelukkig nog. De
laatste boom is nog steeds niet verkocht en de koopman wil naar huis.
Hij kent Japie wel en weet dat het manneke het niet zo gemakkelijk
heeft. En
ook met Rooie Siem heeft hij meer dan eens te maken gehad. Als de
koopman zware planten of bomen moest verplaatsen , stak Rooie Siem hem
nogal eens bereidwillig een
handje toe. “
Hallo, Rooie”, heb je al werk gevonden”? vraagt hij. Verdrietig
kijkt Rooie Siem hem aan en antwoordt, “ Ach nee, ik ben nu eenmaal
een verdoemde. Niemand wil mij hebben en dat zal wel altijd zo blijven
ook” De
koopman wrijft eens over zijn kin en zegt.”Weet je Rooie, ik begin
ook een dagje ouder te worden en eigenlijk wordt het werk op de markt
voor mij alléén een beetje teveel. Ik zoek iemand die mij zou kunnen
assisteren. De verdiensten zijn wel niet zo groot, maar dan heb je in
ieder geval werk en ik ben ook geholpen.Voel je er iets voor”? Dolgelukkig
neemt de rooie het aanbod van de marktkoopman aan. “
Je kunt volgende week al beginnen”, zegt de koopman. “Hier
heb je vast een voorschot, ik gun jou ook een fijne kerst” En
tegen Japie zegt hij, nog voordat Rooie Siem hem naar de prijs van de
kerstboom kan vragen. “Neem jij die boom maar mee naar huis Japie,
dan is het bij jullie ook een beetje Kerst”. Vol
vreugde neemt Japie de boom in ontvangst. Hij bedankt de koopman en
wil dan vlug naar huis. Wat
zal moeder blij zijn. “Daag”,
roept hij, “zalig Kerstfeest koopman”. Ook
Rooie Siem voelt zich een stuk beter dan voorheen. Hij loopt met Japie
mee naar diens huis, de kerstboom onder de arm. Thuisgekomen
roept Japie: “Moeder,waar ben je. Kom eens kijken wat ik heb
meegebracht”? Maria
hoort haar zoon wel, maar ze is te veel uit haar doen om te reageren. De
huisbaas heeft haar de huur opgezegd met de mededeling dat het pand
binnen een week moet zijn ontruimd, als ze niet binnen die tijd de
huur heeft betaald. Wanhopig zoekt ze naar mogelijkheden om de ramp
die boven haar, en Japie’s hoofd hangt af te weren. Rooie
Siem zet de kerstboom in de kamer en loopt daarna met Japie mee om
zijn moeder te zoeken. Ze vinden Maria op bed. Ze huilt, en heeft
verdriet.
“Moeder,
waarom huil je zo”? En
dan komt het hoge woord eruit en Maria vertelt hoe bang ze is dat
Japie en zij straks op straat zullen worden gezet. “Het
is mijn schuld,” zegt
ze. “Ik heb er zo’n spijt van Japie, ik wil mijn leven beteren en
een goede moeder voor je worden”. Japie
streelt zijn moeders wang en Rooie Siem staat er wat verloren bij. “Weet
je Maria” zegt hij, “ik wil je wel helpen. Ik heb nu weer een
baan. Van
die jongen van jou ben ik gaan houden en ik kan niet zien dat hij
ongelukkig is en ook jij laat mij niet onverschillig, dus laat mij je
het geld mogen geven voor de huur, zodat je hier kan blijven wonen!” Als
Maria wat van haar verbazing is bekomen en Rooie Siem zijn verhaal
heeft gedaan, zegt ze tegen hem.”Het lijkt, of er hier een Engel God
‘s aan het werk is geweest, die jou en die marktkoopman op onze weg
heeft geplaatst. Met jouw en Gods hulp kan ik mijn drankprobleem de
baas worden en zal er wellicht voor ons allen nog een gelukkige
toekomst zijn weggelegd. Hij heeft ons voor elkaar bestemd, denk jij
ook niet”? Stil
heeft Japie naar zijn moeder en zijn grote vriend geluisterd en hij
kan zijn geluk niet op.
Zijn
moeder weer gelukkig en ook nog eens binnenkort een nieuwe vader?? En
terwijl de grote mensen geen erg meer hebben in dat kleine figuurtje,
vouwt hij dankbaar zijn handen en fluistert: “Dank
U heer, voor al uw goedheid, Amen” |