|

Zo, mevrouwtje, kleed u zich maar weer aan en komt u dan maar naar mijn spreekkamer, zodat we samen het een en ander kunnen bespreken’, zegt de behandelende geneesheer.
Marleen zucht en terwijl zij zich aankleedt, vraagt zij zich af, wat de diagnose van de dokter zou zijn.
Al geruime tijd had zij zo’n vaag gevoel van pijn in haar onderbuik en ook was ze steeds zo moe. Daarom was ze naar de huisarts gegaan.
Die had haar onderzocht en doorgestuurd naar het ziekenhuis omdat hij het vermoeden had dat er een vleesboom groeide in de buik van zijn patiënte. Er werden foto’s gemaakt van haar onderlichaam in het ziekenhuis en nu was Marleen op het spreekuur om de uitslag van het onderzoeken te vernemen.
Snel trok Marleen een kam door haar kapsel en ging toen de spreekkamer binnen waar de dokter achter zijn bureau al aantekeningen zat te maken.
‘Zo mevrouw van Vugt, het ziet er naar uit dat we een afspraak moeten maken voor een opname’. Hij wees op de röntgenfoto, die hij voor een lichtbak had gehangen. ‘Zo u ziet, is de vleesboom die u hier op de foto goed kunt zien, nu zo groot geworden dat het noodzakelijk is, dat we tot een operatie over moeten gaan’.
Marleen zucht. Zij maakt zich zorgen. Met vier opgroeiende kinderen waar zij, als gescheiden moeder de zorg alleen voor draagt, moet ze een oplossing zien te vinden voor de periode dat zij in het ziekenhuis zou moeten verblijven.
‘Gaat u maar even naar de receptie en maakt u daar maar een afspraak’, zegt de vriendelijke geneesheer. Hij geeft haar een hand en roept zijn volgende patiënt.
Even later staat Marleen weer buiten. Ze besluit nog even bij haar moeder aan te gaan om de problemen te bespreken. Die zit al in spanning op haar te wachten en terwijl Marleen vertelt, legt moeder een hand op haar schouder en zegt: ‘Het komt allemaal wel goed hoor kind. Maak je maar geen zorgen. Ik kan de drukte van de kinderen wel even alleen aan. Ga jij nu maar met een gerust hart naar het ziekenhuis en laat de rest maar aan moeder over.’
Dat is nu tien dagen geleden en nu ligt Marleen te wachten tot zij gereedgemaakt wordt voor de operatie.
Er was nog iemand aan haar bed geweest die haar had gevraagd of zij nog bepaalde medicijnen gebruikte en Marleen was niet vergeten te vermelden dat zij bloedverdunnende medicijnen gebruikte vanwege een trombose. Haar huisarts had haar op het hart gedrukt, daar toch vooral melding van te maken. Dat had ze dan ook gedaan en nu hoopte ze maar dat degene die haar de narcose toe moest dienen, daar rekening mee zou houden. Daarna werd ze gereedgemaakt voor de narcose en even later kwam de broeder haar halen om haar naar de OK te brengen.
Een kwartier later wist ze van de hele wereld niets meer af.
Ze kwam bij op de vercouverkamer en voelde zich redelijk goed. Wel wat pijn maar dat kon nu eenmaal niet anders. Ze voelde zich opgelucht. Had ze zich dáár nu zo bezorgd om gemaakt?
Verlangend keek ze uit naar het avondbezoek wanneer de kinderen en de nieuwe vriend van Marleen op bezoek zouden komen. Ze had haar nieuwe vriend ontmoet op een feestje bij een vriendin. Walter en zij, voelden zich direct tot elkaar aangetrokken. In korte tijd waren zij méér voor elkaar gaan voelen dan alleen maar vriendschap.
Het leven lachte Marleen weer toe.
Ze was door de zusters inmiddels al weer wat hoger in de kussens gezet en voelde zich opgelucht dat de operatie zo goed was verlopen. Ze had zich écht zorgen gemaakt om haar kinderen. Veronderstel dat het niet goed zou gaan en dat zij niet uit de narcose zou komen. Dat hoorde je wel vaker en uiteindelijk zou ze dan vier bloedjes van kinderen achter laten. Haar nieuwe liefde was nog té pril dat zij hem daarmee mocht belasten. Tevreden keek ze rond zich heen en voelde zich rijk. Haar kinderen, haar moeder en een nieuwe vriend die zorgzaam haar hand vasthield, als een belofte voor een nieuw geluk.
Het einde van de bezoektijd naderde en Marleen was daar eigenlijk wel blij mee. Ze was zó vreselijk moe. Haar bezoek nam afscheid. Zeiden dat ze nu maar moest gaan slapen dan voelde zij zich morgen weer een hele ‘Piet’. ‘Ja,’ dacht ze, ‘Slapen, heerlijk slapen’. Ze was moe………Zo moe!
‘Water’, stamelde haar lippen. Haar mond was droog en ze had het warm. Zo vreselijk warm! Gèèn pijn, nee dat niet!! Ook had ze het niet benauwd, hoewel ze blijkbaar zuurstof toegediend kreeg. Ze dreef in haar zweet, maar behalve een vreselijke dorst voelde ze niets. Helemaal niets!
Vanuit de verte hoorde ze stemmen. Welke stemmen? Het drong niet tot Marleen dóór. Waar was ze? Ze zag niets. Het was donker en haar mond was zo droog. ‘Water’, stamelde ze weer. Het leek wel alsof er geen klank uit haar mond kon komen.
‘Ze horen me niet’, dacht Marleen.
Ze wilde haar hand opsteken, maar ze kwam niet verder dan een paar centimeter. ‘Wat is er toch’, waar bén ik, dacht ze. Ze zakte weer weg in de vergetelheid. Het werd donker.
Rustig voelde ze zich. Heel rustig. Ze hoorde weer de stemmen. ‘Wie zijn dat’, vroeg ze zich af. Het leek de stem van haar elf jarige dochter. Ze hoorde niet wat zij zei. Er was ook nog een andere stem en een hand die de hare vast omklemd hield. ‘Blijf bij ons, Marleen’, zei de stem. Waar had ze die stem toch eerder gehoord?
Het drong allemaal niet goed tot haar door. Zij bevond zich in een leegte. Een vacuüm. Hoorde ze nu ook nog harpklanken? Waar kwamen die nu ineens vandaan?
Het geluid werd sterker en overstemde de stemmen van degenen die bij haar bed stonden. Ze was zich niet bewust, wie dat waren.
Hoor! Wat een mooie muziek. Verheerlijkt lag Marleen te luisteren. Het werd lichter om haar heen. Steeds lichter en de klanken van de muziek zwelden aan. Nooit eerder had ze zulke mooie muziek gehoord. Ze wilde dààr zijn. Het was zo’n vredig gehoor. Het leek wel of de muziek haar aantrok. Of zij daar naartoe getrokken werd.
Ze wilde dichter naar díe muziek, en kijk………. Nu zag ze ook een helder licht! Zo’n mooi, zuiver, helder licht had ze nog nooit gezien. Ze wilde weten waar die muziek vandaan kwam. Het leek wel een droom, maar dan wel een heel mooie droom. Kijk, nu zag ze daar aan het eind van dat licht, van die tunnel een figuur staan. Hij wuifde naar haar en Hij had een prachtig wit gewaad aan en een witte aureool om het hoofd en alles om Hem heen, was wit.
Wel van verschillende nuances, dat wel, maar alles was van een helder, rein wit. Wat mooi!! De bloemen langs het pad naar boven. Allemaal wit en zuiver. Evenals de bladeren, de vogels en de vlinders die zij zag vliegen rondom de figuur. Het was van een zuiverheid, die haar deed verlangen om daar te zijn. Er kwam een groot gevoel van vrede in Marleens hart.
‘Ja, ik kom’, fluisterde ze zachtjes. ‘Nog een klein stukje, dan bén ik er!
‘Marleen, lieveling blijf nu bij mij’, klonk vertwijfeld die vreemde stem! Ook de kinderen snikten, ‘Mamma, ga nu alsjeblieft niet dood. Wij willen je niet missen’. Het drong niet tot Marleen door. Hoewel……..Die stem………Waar had ze die toch eerder gehoord?
Ze wilde niet meer terug. Het kon haar niet schelen van wie die stem was. Ze had geen besef meer van de wereld. Het was niet meer van belang. Ze dacht niet aan de kinderen of Walter. Er wáren helemaal geen gedachten meer. Ze wilde alleen maar naar dat prachtige oord, waar die mooie muziek vandaan kwam en waar inmiddels, behalve de witte figuur, ook engelen in prachtige witte gewaden zich bevonden. Zij zongen zo mooi en met zulke zuivere klanken!
Ja, dáár wilde Marleen heen. ‘Nog even Heer, dan bén ik er!
***************************************************************************
‘Ze redt het niet’, zegt de zuster bedroefd tegen de familie die zich rond Marleens bed verzameld had. Al uren waren zij nu in het ziekenhuis en zij waakten. Marleen was na het avondbezoek ineens weggevallen. Een longembolie, luidde de diagnose van de snel gealarmeerde arts die nachtdienst had. Er was een fout gemaakt en er was met de narcose geen rekening gehouden met de bloedverdunnende medicijnen. In allerijl was Marleen naar de Intensive Care verplaatst en de familie werd gewaarschuwd. Het zag er slecht uit.
‘Ze mag niet weggaan van mij en de kinderen’, zei Walter, met een brok in zijn keel. ‘Niet nu we elkaar pas gevonden hebben en het leven ons weer toelacht’. ‘Wij kunnen nu niets meer voor haar doen,’ zegt de zuster.
En tegen Walter, ‘Úw liefde voor haar, kan haar misschien nog terug halen. Roept U haar! Praat met haar!! Misschien dringt het tot haar door en gebeurt er een wonder’.
***************************************************************************
Ze werd wakker op de intensive care afdeling van het ziekenhuis. Er stond een zuster bij haar die voelde aan het infuus dat op een voor haar onverklaarbare wijze in haar arm was gekomen. Haar ogen zagen de monitor naast haar bed. De zuster vertelde dat ze na het bezoek onwel was geworden en getroffen was door een longembolie en dat zij, de artsen en haar familie zich zo’n zorgen hadden gemaakt.
De kinderen huilden en kusten hun moeder van blijdschap. Walter zat nog steeds aan haar bed en hield haar hand vast. ‘ Ík kon je niet laten gaan’ fluistert hij. ‘Ik heb je geroepen en gebeden tot de Allerhoogste en Hij heeft je teruggezonden naar óns. Het was je tijd nog niet liefste. Dat vond ook onze Vader. Wij mogen nog een poosje samen gelukkig zijn’.
Marleen was nog zwak, maar ze wist dat ze toch gelukkig was dat de Heer haar weer naar haar gezin had teruggezonden.
‘Ineens herkende ik je stem weer lieveling’, fluisterde zij teder. ‘En toen wist ik dat ik nog wat bij jullie wilde blijven. Hoe mooi het ook was, daar waar ik heen geroepen werd. Ik zou nu nooit meer bang zijn als mijn tijd werkelijk gekomen zou zijn. Ik weet dan, wáár ik naar toe gaat’.
Veertien dagen later was het feest in het ziekenhuis. Marleen vierde haar veertigste verjaardag. Bijna was het daar niet meer van gekomen, maar de liefde van Walter en de goedheid van haar Heer hadden haar weer terug gehaald naar haar eigen ‘Aardse Paradijs’.
©Mieke Batenburg
|